Régina Casadesus werd geboren in een familie waarin muziek bijna erfelijk leek. Als dochter van Luis Casadesus en zus van onder anderen Henri en Marius groeide zij op binnen een dynastie van musici, maar zij vond haar eigen stem in een instrument dat toen al uit een andere tijd leek te komen: het klavecimbel.
Met de Société des Instruments Anciens, opgericht door haar broer Henri onder het beschermheerschap van Camille Saint-Saëns, trok zij meer dan vijfendertig jaar door Europa en daarbuiten. Zij speelde in Parijs bij de Concerts Colonne en Lamoureux, in Berlijn, Moskou, Petrograd, Brussel, Londen, Rome, Wenen, Constantinopel, Bucarest en Sofia. Zij speelde voor vorsten, koninginnen, tsaren en sultans, maar misschien nog belangrijker: zij gaf oude muziek opnieuw een stem in een eeuw die vooral vooruit wilde. Op Père-Lachaise rust zij met haar man Aurèle Patorni en haar broer Marius Casadesus.
Na al die reizen, paleizen, concertzalen en hoven komt hier iets van de familie Casadesus weer samen. Niet luid, niet vorstelijk meer, maar stil tussen de bomen. Alsof het klavecimbel nog heel even naklinkt.
Op de oude foto zit Régina Casadesus midden tussen haar familie, achter het klavecimbel. Niemand kijkt naar de camera. Niemand poseert. Ze spelen. Henri, Marius, Lucette en Régina: een familie die oude muziek opnieuw tot leven wilde brengen.
Maar wie alleen die foto ziet, kijkt al snel naar een archiefstuk.
Daarom helpt een moderne verbeelding.
Ineens zien we niet meer alleen “een claveciniste uit vroeger tijden”, maar een jonge vrouw met een open blik. Iemand die vandaag een conservatorium binnen zou kunnen lopen. Niet ouderwets, niet stoffig, maar levend, nieuwsgierig en muzikaal.
En dan verandert ook de oude foto.
Dan zie je achter het historische ensemble weer mensen van vlees en bloed. Een jonge vrouw die later voor koningen, tsaren en sultans zou spelen. Een musicus die de wereld over reisde, maar op deze foto vooral thuis lijkt te zijn.
Achter haar klavecimbel.
Tussen haar familie.
Midden in de muziek.